Vandaag drie maanden geleden belde ik de dierenarts. Het ging niet meer; het was tijd om Jude te laten gaan. Sinds die dag klinkt het geregeld door mijn hoofd: Ik wil niet meer leven.
Het is niet dat ik dood wil, absoluut niet. Mijn leven is vol lieve mensen, waardevolle ervaringen en natuurlijk Morris om voor te leven. Het is ook niet dat ik niet meer lach, plezier maak of kan functioneren. Maar zonder Jude is het zonnetje verdwenen, de lichtpuntjes zijn gedimd.
Ik probeer telkens woorden te vinden om mijn lieve meisje te eren, maar al wat er komt klinkt banaal, cliché en dekt in de verste verte niet alles wat Jude was. En bovendien, de woorden gaan meer over mij dan over haar.
Maar is dat niet wat rouw is? Een egocentrische ervaring net als alle andere emoties? Een langzaam ontrafelen van onze verbinding? Stilstaan bij wat ze voor me betekende, wat het met me doet om haar te missen en ontbonden verder te leven?
Dit is mijn imperfecte ode aan Jude, een pure liefde in mijn leven.
Is het onnatuurlijk, abnormaal of raar om zo hevig te rouwen om een kat? Voor sommige mensen is een huisdier niet meer dan dat, een dier dat bij je in huis woont. Voor mij is dat niet zo en ik denk dat rouw om een huisdier even echt, oprecht en terecht kan zijn als voor een naaste mens. Voorheen had ik me ook niet kunnen voorstellen dat ik zulke diepe liefde kon voelen voor een ander wezentje, misschien zelfs wel meer dan ik ooit voor een mens heb gevoeld. Ik vind het mooi en heb ontzag voor de pure, onvoorwaardelijke liefde die Jude in mij wist op te roepen.
Er was een periode in mijn leven dat de katjes de enige reden waren dat ik nog uit bed wilde komen. Vooral Jude bleek er algauw een meester in me daartoe aan te sporen. Met haar pootje tikte ze net zo lang op mijn wang tot ik wakker was en bleef eindeloos op bed springen tot ik het opgaf. Onvermoeibaar en onverbiddelijk. ‘s Avonds een vergelijkbaar ritueel maar dan in omgekeerde richting. Om 11 uur vond ze het tijd voor mij om naar bed te gaan. Als een herdershond bleef ze over de gang draven om mij de slaapkamer in te drijven. In de tijd tussen die twee rituelen zorgde ze er met haar beeldschone kopje en verbaasde kijkers voor dat ze geen koekjes en knuffels tekortkwam. Haar kenmerkende ‘prrrrt?’ haal ik me nog vaak voor de geest uit angst te vergeten hoe ze klonk.
Of de liefde tussen mens en kat wederzijds is? Van katten wordt vaak beweerd dat zij, in tegenstelling tot honden – de trouwe viervoeter -, geen genegenheid voelen voor hun mens en dus minder loyaal zijn. Heel goed mogelijk, ik heb geen idee. Ik heb ontdekt dat die vraag er voor mij niet zo toe doet. Ik geniet juist van hun onafhankelijke authenticiteit waarin ze onbeschaamd zichzelf zijn. Of nee, niet eens zichzelf. Gewoon zijn. Puur zijn.
En zo’n puur wezentje vertrouwt zichzelf dan volledig aan jou – imperfect en onbetrouwbaar mens – toe. Hoe kan je anders dan daarvoor op de knieën gaan?
En dan te bedenken dat ik Jude eerst helemaal niet wilde. Het voelt akelig en slecht om dat te bekennen. Ik had Morris al en dat vond ik genoeg. Hij en Jude kwamen uit hetzelfde nestje zwerfkittens maar woonden al een jaar van elkaar gescheiden. Morris bij mij en Jude ergens anders. Zou dat nog wel boteren? Maar Jude had een nieuw thuis nodig, dus ze kwam.
En zo is het vanaf die dag gegaan. Jude kwam, ze was er en dat was dat – elke ochtend weer. Tussen haar en haar broer is het nooit dikke mik geworden, maar Morris gaf haar mokkend de ruimte. Hij kon niet anders, tegen deze diva kon niemand op. Ook ik bleek in mijn hart meer dan voldoende ruimte te hebben (algauw zonder mokken) om van haar evenveel te gaan houden als van haar broer. Ik kon me geen leven zonder haar meer voorstellen….
God, wat ben ik vaak bang geweest voor het onvermijdelijke moment dat mijn katjes er niet meer zullen zijn. Hoe meer de liefde groeide, hoe heviger de angst. Om hen te moeten laten gaan, leek me onverdraaglijk. Ik zou het niet overleven. Altijd duwde ik die angst gauw weer weg. Nog niet aan de orde, nog alle tijd om me erop voor te bereiden… Dacht ik.
De diagnose kwam zo onverwacht dat het eerst niet eens tot mij doordrong dat mijn ergste nachtmerrie werkelijkheid ging worden. De prognose bleek wreed: geen genezing of behandeling mogelijk en nog slechts enkele weken tot maanden tot het einde, waarschijnlijk pijnlijk en naar.
Opnieuw ‘dwong’ mijn kleine zenmeestertje me de realiteit onder ogen te zien en leefde me voor hoe ermee om te gaan. Geen tijd voor second opinions en allerlei onderzoeken: nu is het enige dat ons rest, het enige dat telt. Nu kan ik nog koekjes eten dus veeg die tranen weg (hier heb je het puntje van mijn staart- gebruik die maar), ik weet waar ze staan. Prrrrt!
Gewoon doorgaan, van nu tot nu. Tot het moment daar was. En toen zorgde die hevige, verpletterende, onvoorwaardelijke liefde ervoor dat ik het onverdraaglijke kon dragen. Voor haar.
Schuldgevoelens en vertwijfeling over alles wat ik beter had kunnen doen zijn er elke dag. Het leven dat ik haar had willen geven (een tuin! vrijheid!), elke seconde dat ik haar mijn aandacht ontzegde (die duivelse telefoon!), twijfels of ik toch niet eerder de dierenarts had moeten bellen. Maar ook dankbaarheid, voor elke dag dat ze in mijn leven was en dat we tijd kregen om van dat leven samen afscheid te nemen.
Haar laatste maanden, de laatste momenten, kan en wil ik niet delen. Die zijn van ons samen. Tegelijk wil ik overal en iedereen vertellen dat het mooiste, liefste, leukste kattenmeisje er niet meer is. En dat dat een ramp is. Het kan me niet schelen dat de wereld in brand staat. Het kan me niet schelen dat mensen elkaar vreselijke dingen aandoen. Mijn lieve meisje is weg en ik mis haar zo.
Lief meisje, waar ben je nu?
Heb je het koud? Ben je niet bang?
Dankjewel voor elke dag dat je in ons leven was. Met je geluidjes, je fratsen, hoge eisen en zijdezachte vacht. Ik heb je lief, zo lief.
Het onverdraaglijke blijkt te dragen. Van nu tot nu. Dankzij jou.
Het went. Dankzij jou.
De liefde blijft bestaan. Voor altijd. Dankzij jou.
Bye Jude